Ik kan natuurlijk schrijven over het museum dat ik zag, maar dat deed zij al. Maar wat ik eigenlijk veel leuker vind, is het eten. In mijn optiek is eten altijd leuk, en dan hoeft het niet eens gastronomisch verantwoord te zijn. In tegendeel, onverwachte boerenkool bij vrienden is altijd een feest.
Mijn eerste dag in Madrid kwam ik vers uit het vliegtuig toen het etentijd was (twee uur ’s middags). Mijn hotel zit aan één van de belangrijke straten van Madrid, me veel winkels en veel theaters. Dus ook veel McDonalds, KFC’s, Burger Kings en allerhande varianten. In Barcelona gebruikte ik op dit soort toeristische plekken al met veel succes de strategie: “één keer links, één keer rechts”. Zodra je in een achteraf straatje komt, zitten er de restaurantjes waar Spanjaarden hun dagelijkse maaltijd eten. Ik liep een barretje binnen dat buiten een afzichtelijke lichtkrant had waarop hun Galicische maaltijden aangekondigd werden. De bar was vol, maar achterin werd het restaurant aangekondigd. Ik wrong me door de mensenmassa heen tot ik het restaurant in zicht had. De ober verifieerde bij de man naast me dat hij een tafel zocht voor vier en of ik bij hem hoorde. Het eerste bevestigde hij, het tweede niet. Ik geneerde me een beetje dat ik moest zeggen dat ik alleen was. Restaurants hebben liever niet dat iemand alleen een tafeltje bezet als het druk is. Hier het tegenovergesteld. Een tafel voor vier had de ober niet. Eén persoon? Geen probleem? Er werd een minuscuul tafeltje uitgeklapt en in het gangpad gezet. En vervolgens was het typisch Spaans. De ober ratelde het menu van de dag af. Ik wilde me niet laten kennen als tourist, dus ik pikte eruit wat ik zo snel herkend had (salade en gebakken kip). Ik wilde er een biertje bij. “Manolo, één biertje”, riep de ober naar de bar aan de andere kant van de zaak en hij rende verder naar het volgende tafeltje. Spaanse obers rennen. Niet te geloven hoe die rennen. Een marathon moet een eitje voor ze zijn, want dan hoeven ze niet steeds te stoppen en zich tussen tafeltjes door te manoeuvreren. In het restaurant bleef het druk terwijl ik mijn salade en kip met friet at (zo authentiek spaans). Vervolgens de vraag of ik dessert wilde. Jawel! Natuurlijk, wat was er. En daar gingen we weer in een tempo waar de gemiddelde veilingmeester niet voor onderdoet. Ik vroeg om yoghurt. Dus ik kreeg ik een yoghurtje van Danone, naturel. Veel restaurants in Spanje zijn voor de dagelijkse maaltijd en er wordt dus niet moeilijk of feestelijk gedaan als dat niet nodig is. Yoghurt is een eenpersoonsverpakking yoghurt en fruit is een banaan, een sinaasappel of een appel, gewoon, in zijn geheel op een bord met een mes erbij.
De tweede dag was een bijzondere ervaring. Ik was in het Thyssen-museum en daar at ik mijn lunch, tussen alle toeristen. En de toeristen snapten weinig van de spaanse manier van eten. Mensen op zoek naar een broodje, die dan maar een salade namen, mensen die het wachten op de rij niet snapten, die het menu niet konden lezen. Het menu was goed, het eten heerlijk: een heerlijke entrecote met heel dunne schilfers manchego erover en toe een heerlijke taart. Spanjaarden zijn goed in taart als dessert, en daar word ik altijd erg blij van. Het restaurant was het tegenovergestelde van de Gallisische maaltijden: sjiek met ‘beschaafde’ obers, ruim opgezet en alles was goed verzorgd en zelf gemaakt. Toch was de overeenkomst dat je op beide plekken erg lekker en betaalbaar kon eten. En dat is zo fijn in Spanje.





