• 22nd December 2009 - By Annemiek

    Sevilla is een stad die terug gaat tot de Romeinse tijd, maar het gebied is ook al vroeg bezocht door de Grieken, de Foeniciers en na de Romeinen kwamen de Moren. Die zijn door Isabella en Ferdinand Spanje uit gemept, daar mepten ze de Joden achteraan en vervolgens bleven de katholieken over. En allemaal lieten ze zo hun eigen plasje achter in de stad. Het meest in het oogspringende van de stad is de Giralda, de moorse toren bij de kathedraal. Als je van kathedralen of van scheepvaart houdt, dan moet je de kathedraal uiteraard bekijken. Columbus (in het Spaans Cristobal Colon) ligt er begraven en het is een van de grotere kathedralen op deze wereld. Wat ik minstens zo leuk vind is het kleine kapelletje dat een kleinDe Giralda is leuk om te beklimmen, omdat de toren geen trap heeft. Vroeger, toen het nog een Moorse toren was, reed de persoon die opriep tot gebed te paard naar boven. Tegenover de kathedraal en de Giralda ligt het Alcazar (Los Reales Alcazares, het koninklijk alcazar): het oude moorse paleis waar in alle eeuwen delen aangebouwd zijn. Het heeft niet de grandeur van het Alhambra in Granada, het is een stuk kleiner en een stuk minder toeristisch. Ik vind het een heerlijke plek om rond te dwalen, te fotograferen of gewoon lekker in de tuin te zitten lezen.

    Doorkijkje in het Alcazar

    Vanaf het Alcazar loop je zo naar het Parque Maria Luisa waar nog paviljoenen staan van de wereldtentoonstelling van 1929, ook steek je zo door naar de rivier de Guadalquivir. Een uitdaging is om tussen de kathedraal en de rivier de Torre de plata te vinden. Zijn grote broer, de Torre del Oro, staat direct aan de rivier en is niet te missen. Bij deze torens leverden de Zuidamerikavaarders hun zilver (plata) en goud (oro) af voor het koningshuis. Sevilla was in die tijd een belangrijke havenstad.

    Aan de andere kant van de kathedraal ligt de Barrio de Santa Cruz, de oude Joodse wijk. Een heerlijke wijk om gewoon doorheen te dwalen, en de weg kwijt te raken. Een pilsje drinken bij een cafeetje, mensen kijken, in de schaduw van de smalle straatjes even bijkomen van de hitte van de stad. Het ongeneerd rond lopen en verdwalen is in het hele centrum de moeite waard. Het is soms wel lastig om de weg weer terug te vinden, omdat de straatjes overal smal zijn en de kaart net zo’n wirwar is als de echte stad (tip: google maps op je mobiel). In Santa Cruz vind je het Museo Flamenco van Cristina Hoyos, voor flamencoliefhebbers en -geinteresseerden. Alle exhibits met beeld en muziek geven een goed overzicht van de verschillende stijlen en de geschiedenis van de dans.

    Twee plekken die ik zeker zou bezoeken in Sevilla zijn het Casa de Pilatos en het Palacio de Lebrija. Het Casa de Pilatos is het paleis van een adelijke familie. Zij hebben in de loop der jaren in allerlei stijlen een indrukwekkende stadswoning met allerlei binnentuinen gebouwd. Het Palacio de Lebrija is ingericht door de hertogin van Lebrija (een dorp tussen Sevilla en Cadiz). Haar man, de hertog, overleed toen ze nog vrij jong was, en ze had geen kinderen. Ze heeft haar leven veel gereisd en veel kunstschatten verzameld. Veel kunstschatten uit de Romeinse opgraving onder de rook van Sevilla, Italica, waren er waarschijnlijk niet meer geweest als zij ze niet gered had.

    En er is natuurlijk een heleboel meer te zien: de Fabrica de Tabacos (nu de rechtenfaculteit), waar de Carmen van Bizet zich afspeelt, de muur en de maagd van de Macarena, de Alameda de Hercules, La Maestranza, het Museo de Bellas Artes, Triana… Probeer vooral niet alles te zien, maar leef mee in het ritme, voel de stad, leef op straat, als een deur open staat, kijk dan naar binnen of ga naar binnen: prachtige kerken, mooie patio’s. Dat is wat Sevilla een interessante stad maakt.

  • Leave a Reply