Deze week is de musicalweek. Dat is de week dat ik net doe alsof ik muzikant bent. Ik schuifel rond een uur of vier, vijf richting de schouwburg, maak me zorgen over de stemming van mijn bas, kijk vol verbazing naar de warming-up van de acteurs en speel mijn moppie op mijn bas. Na de premiere zoen ik Mieke die foto’s kwam maken en zo veel mogelijk cast-leden (met name de mannen moeten het ontgelden). Ik besluit dat het handig is om mijn auto naar huis te brengen en dan met de fiets naar de kroeg te gaan. Na x rosé en y tosti’s blijven we achter met drie orkestleden. We lullen over opera (heel a-typisch) betalen de rekening (nog een teken dat het om wannabe musici gaat) en lopen naar de fiets.
So far so good. Halverwege mijn rit (mijn collega’s moeten veeeeeel verder) ligt er een man op het fietspad. Samen met zijn fiets, maar ze zijn ruw van elkaar gescheiden. De man kermt een beetje en zijn arm ligt wat raar.
“Gaat het meneer?”
Gebroederlijk stappen we van de fiets en bekijken de man op het fietspad. De fiets wordt op het voetpad op de standaard gezet. Dat staat wel zo netjes. De meneer kermt een beetje.
“Mwa, mwa, ja, ik wil mijn vader bellen”
“Kunt u opstaan meneer”
Het is duidelijk dat dit niet gaat lukken en omdat ik niet getraind ben in het herkennen van medische problemen, noch in het omgaan met moeilijke mensen, besluit ik 112 te bellen. Dan heb ik dat telefoonnummer tenminste niet voor niets uit mijn hoofd geleerd. Ik vertel van de meneer en zijn ontmoeting met het fietspad, dat hij niet op kan staan en dat zijn arm er een beetje raar bij ligt. En passant zeg ik wel dat hij volledig bij kennis is, dus dat ze geen haast hoeven te maken. Niet om vervelend te doen, maar ik vermoed dat meneer vanuit een andere kroeg dan wij uit het centrum van W. komt. Er zal iemand ter controle krijg ik te horen en uit het gesprek daarna blijkt dat de meneer inderdaad uit een alcohol schenkend etablissement komt. Hij is heel zielig, want hij heeft heel veel problemen en hij is chauffeur. Al snel hoop ik dat de ambulance snel komt, niet omdat hij er zo slecht aan toe is, maar omdat ik zo slecht ben in zinloze chit chat. Ik vind meneer een aansteller en het etablissement dat hij bezocht heeft roept bij mij allemaal vooroordelen op. Ik ben ook maar een mens en heb dus van die vooroordelen. Life sucks, het is niet anders.
Bij aankomst van de ambulance worden mijn vooroordelen bevestigd, de ambulancemevrouw kent de man en is niet erg empathisch. Ik kan het me helemaal voorstellen. Ze proberen de man overeind te sjorren, maar hij werkt niet echt mee. Uiteindelijk staat hij op en gaat hij mee voor een foto van zijn schouder. De mevrouw verontschuldigt zich bij ons dat ze zo bot zijn, ik begrijp het helemaal en ben blij dat ik niet in hun schoenen staan. Sterker nog, bedenk ik me later op de fiets, ik ben blij dat ik geen echte muzikant ben, en maar heel zelden dit soort trieste gevallen op het fietspad tegen kom. Ik ben oprecht blij dat ik morgen (zometeen) om tien uur mag praten over de zin en onzin van een vak voor HBO-studenten en daarna na mag regelen dat wetenschappers een discussie kunnen voeren. Gewoon een wereld waarin ik de vreemde eend in de bijt ben, veel veiliger.
De generale was overigens faaaantaaaaaaasties. Heb genoten. Ik wil nog wel wat meer interactie met de toneelspelers, maar we hebben nog zeven voorstellingen.




